‘Fietsend naar de Renkumse beek’

Mevrouw Van der Bilt
Mevrouw Van der Bilt

Verscholen in het bos van Wageningen-Hoog staat, aan de Eekhoornlaan nummer 5, het huis van mevrouw Van der Bilt (78). Geboren en getogen in deze streek is mevrouw Van der Bilt meteen enthousiast als ik haar opbel voor het maken van een afspraak om te praten over haar herinneringen over de landgoederen de Leemkuil en Oostereng. Als ik tussen de bomen door de oprit op rijd, komt mevrouw Van der Bilt al lachend naar me toe. Ze is net in de tuin bezig en ze verontschuldigt zich voor haar kleding. Het is geen modeshow roep ik nog, en meteen vertelt ze over het huis dat haar vader nog ontworpen heeft en heeft laten bouwen. Ze heeft niet altijd aan de Eekhoornlaan gewoond. Haar vroegste herinneringen stammen uit de tijd dat ze nog aan de Hartenseweg woonde. In dit huis heeft zij ook de oorlog meegemaakt. Uit de verhalen is op te maken dat deze periode een diepe indruk heeft achtergelaten. Vooral de herinneringen aan de Joodse onderduikster, de evacuatie naar Ede en de terugkeer naar haar ouderlijk huis staan haar nog scherp op het netvlies. Meneer Van der Bilt zorgt voor de thee; het ontbreekt ons aan niets om er een gezellige middag van te maken.

“De eerste jaren van de oorlog merkte je eigenlijk niet dat het oorlog was. Ons leven ging gewoon door. In de zomer gingen we dan ook nog gewoon zwemmen in de Renkumse beek. Het zwembad zat in Ede. Dat was veel te ver om te fietsen. En tijdens die fietstochten kwamen we dan langs landgoed de Leemkuil en Oostereng. Op landgoed Oostereng woonde een vrouw alleen, maar meer weet ik daar niet meer van. Dat is in de oorlog ook helemaal verwoest, waarschijnlijk door een flinke granaat of bom. Toen ik er na de oorlog nog eens langs fietste stond alleen de serre nog een beetje overeind. Voor de rest was het allemaal weg.“

Rustoord
nl277942“Dat was anders bij de Leemkuil, dat destijds in handen was van de gemeente Amsterdam. Het was een soort rustoord of sanatorium; die had je hier in de buurt wel meer, en dat was voor mij dus ook heel gewoon. Aan het grote gebouw zaten van die huisjes waar de mensen of patiënten beschut buiten konden liggen. En die huisjes, die stonden op een soort draaischijf, dus die konden afhankelijk van de zon of de wind meedraaien. Heel bijzonder was dat. Het was ook geen afgesloten terrein. Je kon ook gewoon met die mensen praten, hoor. Het is een van de weinige gebouwen dat in de oorlog niet bezet is geweest door de Duitsers. Dat was wel anders met ons huis.”

Spannend
“Na de landing van 17 september 1944 leefden we hier in de vuurlinie, dat was een spannende periode voor ons. We hadden destijds ook een Joodse onderduikster in huis. Maar dat hoorde ik pas achteraf. Zelfs mijn moeder wist niet dat zij een Jodin was. Mijn vader had haar mee naar huis genomen als hulp in de huishouding. Ik herinner me zelfs dat we een avond met een Duitse soldaat aan tafel en de onderduikster heerlijk hebben zitten eten. Maar ja, wisten wij veel. Uiteindelijk werd het toch te gevaarlijk en moesten we evacueren naar Ede. Ook de Joodse onderduikster is met ons meegegaan; mijn vader heeft toen nog een veilig adres voor haar geregeld. We zijn van oktober ’44 tot mei ’45 in Ede geweest.”

Geëvacueerd
“Ik herinner me de dag van de evacuatie nog best goed. Het was een prachtige zonnige dag in oktober, eind oktober. En we hebben onderweg zo vreselijk gelachen. Ook van de zenuwen natuurlijk. We hadden via mijn zus een adres in Ede gekregen. Het was een enorm huis waar een mevrouw al meerdere evacués gehuisvest had. En beneden zat een bureau van het Duitse Rode Kruis gevestigd. Uiteindelijk werd ook dit huis gevorderd en moesten we weer verhuizen, dit keer naar de overkant van de straat. Ik herinner me dat we een brandende kachel op een slee vervoerden. Waarom dat precies zo ging is mij nu een raadsel.”

Bezet
“En terwijl wij in Ede zaten is ons huis, aan de Hartenseweg 2, door de Duitsers en later ook door de Engelsen bezet. In mei ’45 gingen we met een geleend paard en wagen weer terug. We hadden toch wel heel wat huisraad bij ons waarvoor we de boerenkar hard nodig hadden. Mijn broer kon goed mennen dus die regelde dat allemaal. Maar het was uiteindelijk nog een heel gedoe omdat het paard er halverwege geen zin meer in had. Uiteindelijk heeft mijn broer hem toch weer aan het lopen gekregen en konden we naar huis.”

Bijna schadevrij
“Gelukkig had ons huis weinig geleden door de oorlog. Er waren maar een paar ruiten kapot. En dat terwijl het huis van de buren er door een granaatinslag veel slechter aan toe was. De garage was zelfs doorzeefd met granaatscherven. Bij ons was een granaatscherf precies in de geiser van het bad terecht gekomen. Wat ook lastig was dat de watertoren in Wageningen helemaal kapot geschoten was. Er kwam dus geen water uit de kraan. De Engelsen brachten iedere dag een paar emmers, daar moest je het maar mee doen.

Ook na de oorlog fietste ik nog vaak langs de Leemkuil en Oostereng. De Leemkuil heeft lang de functie van rustoord behouden. Oostereng heeft lang braak gelegen. Het huis was een complete ruïne, dat weet ik nog wel van de wandelingen die ik er na de oorlog maakte. De universiteit van Wageningen heeft er ook tijdelijk een gebouw gehad voor het doen van atoomproeven. Maar ook dat is weer afgebroken. Het is en blijft een prachtig landgoed met hele bijzondere bomen. Niet zo vreemd dat de gemeente ooit plannen had er een arboretum van te maken. Ik geniet nog steeds van deze omgeving, ik denk niet dat ik er ooit nog wegga.“

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Create a website or blog at WordPress.com

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: