‘Het was altijd ‘bitter-sweet’

Ze ziet er heel Hollands uit, toch heeft mevrouw Tempelman (89) iets van Indonesisch bloed. Ze lijkt op de Altona’s, de Hollandse tak van haar vader, zegt ze zelf. Ze heeft nooit lang op een plek gewoond: geboren in Indonesië, verhuisd naar Nederland, de Verenigde Staten en nu weer terug. Ze overleefde het Jappenkamp waar ze met haar zusje en moeder van haar twaalfde tot haar vijftiende gevangen zat. Ze kan er goed over praten, op dezelfde manier waarop ze de rest van haar verhaal vertelt. In december reist ze nog naar Amerika om daar de Kerst en haar 90e verjaardag met haar dochter en zoon te vieren. Op de vraag waar ze zich nu het meest thuis voelt kan ze niet echt antwoord geven. In Insula Dei in Arnhem vermaakt ze zich prima. De eerste keer dat we afspreken zit ze niet in haar kamer maar is gaan shoppen en is mij helemaal vergeten. Een grappig begin van een aantal ontmoetingen met deze lieve en vooral heel gezellige kwieke dame.

“De eerste keer dat wij met de boot naar Nederland gingen, herinner ik mij nog goed. Ik kreeg tyfus onderweg, maar dat mocht niemand weten anders moest de boot in quarantaine. Mijn vader had zes maanden verlof en we waren onderweg naar mijn oma in Alphen aan den Rijn, de moeder van mijn vader. En koud dat het daar was! Mijn vader was vroeger gezagvoerder op het schip van de Bataafse Petroleum Maatschappij. Hij kwam dus regelmatig in Indonesië en ontmoette daar mijn moeder. Mijn opa was de zoon van een Pool die trouwde met een Indonesische vrouw, vandaar dat ik ook wat Indonesisch bloed heb. Aan mijn moeder kon je dat nog wel zien, net als bij mijn broer. Ik was de oudste in het gezin, na mij kregen mijn ouders nog twee zoons en een dochter.”

Opgroeien
“Ons huis waar ik geboren ben, in Purwokerto, Java, was niet heel groot. Onze bediendes de djongos en kokkie hadden een huis in hun eigen kampong of wijk. Toen we later in Bodjonigoro woonden, een kleine plaats op Oost-Java, was er geen goede school en onderwees mijn moeder ons zelf. Toen mijn jongste zus en broer geboren waren, had ze daar geen tijd meer voor en moest ik naar een normale school bij mijn tante in Bandung. Ik had daar zo de pest aan; als blanke moest je altijd beter zijn dan de rest. Waarom weet ik niet, maar goed was nooit goed genoeg. Op school zaten voornamelijk Hollandse kinderen of Indonesische en Chinese kinderen van rijke ouders. Je kreeg ook les van Hollandse juffen, ik ben ook echt heel Hollands opgevoed.”

Uit de klei
“Toch was er ook wel een verschil. Mijn moeder zei altijd: ‘De bediendes zijn er niet voor jullie maar voor ons’. Wij mochten ze dus ook niets vragen. Ik zag wel dat dat bij andere gezinnen soms anders ging. Daar gooiden de kinderen de tassen en schoenen op de grond en dan moesten de bediendes die maar opruimen. Dat zag je vooral bij gezinnen die nog maar kortgeleden uit de Hollandse klei getrokken waren en naar Indonesië gekomen waren. Als wij wat lieten rondslingeren schreeuwde mijn moeder: ‘Wat ligt daar?’ Ik denk toch dat dat kwam omdat mijn familie al veel langer samenleefde met de Indonesiërs.”

Stelen
“Wat ik me ook nog goed herinner is dat je altijd bang was dat er wat gestolen werd. Dat gebeurde ook regelmatig. Het huis was altijd open, je had wel spijlen voor de ramen met luiken die ’s nachts dicht gingen, maar verder was altijd alles open. Mijn moeder had alle spullen in kasten met sloten erop. Als de bediendes wat nodig hadden dan moest zij met de sleutelbos meelopen. Als je een kast open liet staan dan waren de spullen weg. De Indonesiërs vonden niet dat ze ons beroofden, ze vonden het wel slim. Dan hadden we maar beter op moeten letten.” 

Oorlog
“In 1942 werd mijn vader plotseling opgepakt toen hij onderweg was naar de bank. Dat was voor ons het begin van de oorlog. We hebben nog een maand of drie in ons huis gewoond. Toen duidelijk werd dat ook wij weg moesten, deed mijn moeder de vreemdste dingen. De piano schonk ze aan een Indonesische familie, net als het tafelzilver en de naaimachine nam ze mee toen ook wij opgepakt werden. We gingen naar een wijk met alleen maar vrouwen en kinderen, waar we niet uit mochten. Met drie families woonden we in een huis met maar één kamer. Vanaf daar zijn we naar het interneringskamp gegaan.”

Japanners
“Het was een angstige tijd. In Ambarawa sliepen we met zo’n 4000 vrouwen in hele grote barakken met stapelbedden. Ik was ontzettend bang voor de Jappen, ze hadden losse handjes. Gelukkig hebben ik, mijn zusje en mijn moeder nooit klappen gehad. De nachtwacht was het engst, je zag geen hand voor ogen en als je dan een Jap tegenkwam dan moest je een versje opzeggen. Dat betekende dat alles goed was. Deed je dat niet dan kreeg je klappen. ’s Ochtends en ’s avonds moest je in rijtjes van 10 op appèl staan, zo konden ze zien of er niemand weggelopen was. Ik heb nooit geprobeerd te vluchten, doodsbenauwd dat ik gepakt zou worden en het niet zou overleven.” 

Bevrijd
“Je moest allerlei klusjes doen voor de Jappen, zoals vuilophalen, en toen ik ouder was goederentreinen leeghalen. Op blote voeten liepen we om 7 uur ’s ochtends in het donker naar de treinen. Een keer kwam er een trein met nonnen. Ze hadden van alles bij zich: zware boeken en zelfs een piano, en wij maar sjouwen. We hebben ook erg hongergeleden. Ik zie het nog voor me, een paar oudere meisjes die maiskorrels op tafel legden en ze korreltje voor korreltje verdeelden. Toen we hoorden dat we bevrijd waren hebben we met z’n allen het Wilhelmus gezongen. We hebben meteen een rood-wit-blauwe vlag gemaakt, geen idee waar we de stoffen vandaag gehaald hebben.” 

Terug naar Nederland
“Nadat we het kamp verlaten hadden zijn we herenigd met mijn vader en broer en naar mijn tante in Bandung gereisd. De Indonesiërs moesten niets van ons hebben en gooiden bommen in huizen. Het was heel onveilig. We waren wel vrij maar je zat eigenlijk ook opgesloten in je eigen huis. Ik moest ook weer naar school; hier ontmoette ik William Steen die mij hielp met scheikunde en andere moeilijke vakken. In de zomer van ’47 kreeg mijn vader eindelijk weer eens verlof en vertrokken we naar Nederland. De arbeiders van de houtzagerij van mijn oom vonden ons maar raar. Vooral mijn moeder, die licht getint was, werd veel nageroepen: ‘Kijk een Indiaanse die Nederlands spreekt. En tegen mij riepen ze ‘Jij wiegt met je heupen!’”

Afgestompt
“Ik moest van mijn ouders naar het gymnasium, dat was een ramp. Ik had een enorme achterstand en kon moeilijk meekomen. Toen ik met een vriendin iets over Frans overlegde, riep de leraar: ‘Houd eens op over Nederlands-Indië, die verhalen kennen we nu wel’. De sfeer op die school was heel naar. Ik kreeg een inzinking waar ik thuis niet goed over kon praten. Iedereen zocht z’n plek en dan sprak je niet over je problemen. William kwam ook naar Nederland en mijn moeder stimuleerde mij vooral om me met hem te verloven. Hij kwam uit een goed nest vond ze en dat heb ik toen gedaan. Daar begreep ik niets van, was ik zo afgestompt door het kamp dat ik me alles maar aan liet praten?” 

Verenigde staten
“Williams ouders waren zendelingen van het Leger des Heils en werden opgeroepen om naar de Verenigde Staten te komen. William volgde en zo ben ik ook in de VS terechtgekomen. We kregen twee zoons en twee dochters, waarvan één gehandicapte. Omdat de gehandicaptenzorg in de VS niet goed geregeld was, zorgde ik dag en nacht voor haar. We maakten ons grote zorgen hoe dat verder moest als zij ouder zou zijn. Daarom wilden we graag terug naar Nederland. Maar dat kon niet zomaar; we moesten zelfs koningin Juliana aanschrijven.”

“In 1991 overleed William en een jaar later ontmoette ik Hans. Hij maakte echt werk van mij, ik vond het wel grappig. Drie dagen voordat we 25 jaar getrouwd waren, overleed hij. Als ik terugkijk kan ik mijn leven kort samenvatten als ‘bitter-sweet’, na een verdrietige periode kwam altijd weer een mooie.”

5 gedachten over “‘Het was altijd ‘bitter-sweet’

Voeg uw reactie toe

  1. Hoi Claske,

    Wat een verhaal! Jeetje die mevrouw heeft wat mee gemaakt. Deze groep mensen zullen wel vreselijke dingen hebben mee gemaakt, waardoor jij het je niet makkelijk maakt, qua emotie? Prachtig om dit in de publiciteit te brengen.

    Claske succes en we zien elkaar vast nog wel. Groetjes José

    Verstuurd vanaf mijn iPad

    Liked by 1 persoon

  2. Hoi Claske,

    Dank je wel voor je mail. Irma had me al verteld dat je bij haar was om het verhaal aan haar voor te lezen. Ze vertelde me ook dat ze er emotioneel van was geworden. Kan ik me voorstellen als je ineens jouw verhaal uit de mond van iemand anders hoort komen. Ben benieuwd hoe het met je andere verhalen gaat en hoe het verder gaat met de verhalen. Fijn wanneer je me dit laat weten, zodat ik eventueel ook Irma op de hoogte kan houden of haar eraan kan herinneren. Soms is ze wat vergeetachtig als ze nerveus is of er meerdere dingen spelen.

    Vriendelijke groet, Yarí [image: 🍃]

    *AMARUQ* *praktijk voor sjamanistische coaching, rouwnabijheid, stervensbegeleiding en laatste verzorging van overledenen*

    *www.AMARUQ.nl Telefoon: 06-14441075*

    Like

  3. Jemig!!!! Wat een verhaal. Het is voor ons weer een stukje geschiedenis dat nooit verloren mag gaan. Mooi dat jij deze herinneringen levend wilt houden!
    Groet Pity Zwerver.

    Like

  4. Je verwoordt haar levensverhaal bondig. Tegelijkertijd spreekt het boekdelen! Dat is echt jouw gave. Het schetst een mooi tijdsbeeld dat voor velen heel herkenbaar zal zijn.

    Like

  5. He Claske; met interesse heb ik weer t verhaal van je gelezen. Je vraagt om dames en heren 80 + mss is het een idee om navraag te doen bij oa Wereldhuis in Boxtel. Hartelijke groeten uit Lacropte Marlou.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: