‘We hebben heel veel geluk gehad’

Het appartement in het historische stadje Doesburg is netjes en modern ingericht. Dick Kampen maakt een jonge indruk. Dat hij de week na het interview 81 wordt, zou je zo niet zeggen. Volgens kleindochter Sophie heeft haar opa een fotografisch geheugen. Dat moet ook wel, anders zou hij zich niet zoveel herinneren over zijn eerste jaren in Nederlands-Indië. Als zoon van een KNIL-militair groeide hij op in een jappenkamp. Het leven in het kamp, en de periode na de Japanse bezetting, herinnert hij zich alsof het gisteren was. In Nederland krijgt hij het jaren later ook niet makkelijk. Niet iedereen heeft begrip voor de situatie waarin de familie in Nederlands-Indië verkeerde. Door sommigen worden KNIL’ers als moordenaars gezien. En daar is Dick het absoluut niet mee eens.

Jappenkamp
“We woonden in het paradijs. Althans, dat vond mijn moeder als ik met haar over vroeger sprak. Mijn eigen herinneringen beginnen in het jappenkamp. Bepaald geen paradijs. Honger, ziektes, martelingen, het was voor mij heel normaal. Samen met mijn zusje en mijn moeder werden we gevangengehouden. Mijn moeder werkte in de moestuinen om groentes voor de Jappen te verbouwen, terwijl wij bijna niets te eten hadden. Mijn zusje en ik werden aan ons lot overgelaten. Mijn moeder waarschuwde altijd waar we niet mochten komen. Je liep de kans om aan een banjonet geregen te worden. Ondertussen werkte mijn vader aan de Birmaspoorweg. Later werd hij samen met andere gevangen met drie boten naar Japan getransporteerd. Twee boten werden getorpedeerd, de boot van mijn vader kwam veilig aan. Vijf jaar lang zijn we van elkaar gescheiden geweest. Bij de hereniging in Balikpapan, had ik geen interesse in hem. Ik wist niet eens wie hij was. 

Reizen
Na de Japanse bezetting gingen de meeste Nederlands-Indiërs naar Nederland. Maar omdat mijn vader KNIL’er was, moest hij blijven. Om even bij te komen ben ik met mijn moeder en zusje met de boot, de Boissevain, een paar maanden naar Nederland geweest. We logeerden bij mijn opa en oma in Venlo. Ik ben toen ook nog even naar school geweest, maar ik snapte er niks van. Ik kon niet lezen en schrijven, ik was nog nooit naar school geweest. We vlogen terug met het vliegtuig, een Constellation: een lange sigaar met vleugels. Prachtig vond ik dat. De reis naar Banjarmasin op Borneo, duurde daardoor maar vier dagen. We woonden vlak bij de kazerne en hadden vier baboes die voor ons werkten, in ruil voor eten. Ik had best een relaxed leventje. Omdat ik niet naar school hoefde, speelde ik veel in de kampong of liep in de rimboe rond. De kinderen van de baboes waren mijn vrienden. Op een dag zei de vader van mijn vriend dat ik maar beter niet meer in de kampong kon komen. Ik begreep niet waarom. Hij zei: ‘Er zijn hier slechte mensen komen wonen’. Wie dat waren begreep ik niet, maar de boodschap was duidelijk.

Strijden
Uiteindelijk is dit bericht ook bij de KNIL-militairen terecht gekomen. Die ‘slechte mensen’, (red. Indonesische onafhankelijkheidsstrijders) waren in de ogen van de KNIL’ers terroristen. De Indonesiërs die voor de Nederlanders werkten, zijn op aanraden van de militairen gevlucht. Maar de ‘terroristen’ zaten als ratten in de val. Ze hadden zich overal verstopt, zelfs onder de grond. Er was geen ontkomen aan, de terroristen zijn standrechtelijk geëxecuteerd. Mijn vader werd overal naar toegestuurd om te strijden voor het behoud van Nederlands-Indië. En wij reisden hem als gezin overal achterna. Maar op de plekken waar we terechtkwamen, was het altijd gevaarlijk en werd er gevochten om ons huis. Bij een gevecht lag ik samen met mijn zus en moeder onder het bed. Ik hoor de mortieren nog over het dak van ons houten huis gaan. En ineens gaat er een door ons dak heen. Ik hoor hem rollen over de vloer. Mijn moeder fluistert: ‘Nu zijn we er geweest’. Maar de mortier ging niet af. We hebben ongelofelijk veel geluk gehad. 

Nederland
Uiteindelijk zijn we in 1952 vanuit Surabaya op de boot naar Nederland gestapt. We kwamen in een pension in Leende terecht, een dorpje net onder Eindhoven. Mijn vader had een goede staat van dienst en kon in het Nederlandse leger een baan krijgen. Hij werd gestationeerd in Oirschot, dus verhuisden wij naar Helmond. Op de lagere school zagen de onderwijzers mij als een wilde. Ze lieten mij aan mijn lot over, ik was de zoon van een moordenaar. Zo heb ik hem nooit gezien. Mijn vader verdedigde Nederland, en ons. Maar mensen die er niet bij geweest zijn, kijken daar heel anders tegenaan. Toen mijn vader hoorde hoe ik behandeld werd, heeft hij voor mij een plek op de broederschool geregeld. Daar hebben de broeders mij zoveel bijgeleerd, dat ik op mijn 15e alsnog naar de HBS kon. 

Rebelse jaren
Maar structuren was ik niet gewend. In Indonesië ging ik altijd mijn eigen gang. In Nederland had ik moeite met autoriteit. Ik was een rebel; als het mij niet zinde dan sloeg ik erop los. Ik had wel een goed stel hersenen, dus ik haalde hoge cijfers. Maar er was verder geen land met mij te bezeilen. Ik trok ook vaak anderen mee, waardoor ook zij in de problemen raakten. Na vier jaar HBS ben ik gaan werken, maar ik kon mijn draai niet vinden. Met drie vrienden, wilde ik via een jongerenprogramma naar Australië. Mijn vrienden durfden het op het laatst toch niet aan, dus ging ik alleen. Van het jongerenprogramma heb ik niet veel meegemaakt, ik besloot al snel op eigen houtje verder te gaan. Een jaar lang heb ik door het land gereisd met hier en daar wat baantjes. Maar het zwerversbestaan was het niet voor mij. Ik heb de boot gepakt en ben terug naar Nederland gegaan. Mijn vader kwam mij ophalen van het station. Thuis vroeg niemand wat ik het afgelopen jaar gedaan had. Alsof ik nooit was weggeweest. 

Carrière
Vlak nadat ik terug was in Nederland, ging ik naar een dansavond. Ik was nog lekker bruin van de Australische zon. En toen kwam ik mijn vrouw tegen. Ik denk echt dat ik dankzij haar vanaf toen een heel succesvol leven geleid heb. Door haar ben ik op het rechte pad terechtgekomen. We trouwden en kregen drie kinderen. Ik kreeg een baan bij Philips en kon daar nog gratis een studie hts Elektrotechniek doen. Ik wilde elektronische producten ontwikkelen. Uiteindelijk bleek dat toch niks voor mij en ben bij Motorola in de sales gaan werken. Een keihard vak, maar ik heb ervan genoten. We hebben een tijd met ons gezin in Toulouse gewoond. Ik ben een echte francofiel, ik ga er graag naar terug. Helaas overleed mijn vrouw 20 jaar geleden aan een harstilstand. Toen heb ik wel even gedacht ‘waar doe ik het allemaal voor’. Ik heb nog een tijdje een vriendin gehad, maar ik heb het uitgemaakt. 

Over de periode in Nederlands-Indië heeft mijn vader de rest van zijn leven nooit meer een woord gezegd. Dat was te pijnlijk. Zo pijnlijk dat hij mij en mijn zus volledig negeerde. Hij weigerde mij zelfs bij mijn naam te noemen. Toen hij 85 was, hoorde ik hem voor het eerst mijn naam uitspreken. Op mijn veertiende kreeg ik nog een zusje, een nakomertje. Dat was zijn oogappeltje. Hij associeerde haar niet met de gruwelijkheden. Met mijn moeder had ik een goed contact, wat voor mij voldoende was. Maar mijn zus heeft er nooit mee leren leven. Als ik zo terugkijk, vind ik dat ik nog heel goed terechtgekomen ben. Ik vermaak mij ook nu nog eigenlijk prima. Ik kan goed alleen zijn en reis nog overal met de auto heen. Zoals laatst, eventjes op en neer naar Vaison-la-Romaine. Ik ben een gelukkig mens.

Een gedachte over “‘We hebben heel veel geluk gehad’

Voeg uw reactie toe

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: