Vlechtwerkjes van Javaanse klei

Vanuit het atelier van Frank Tromp de Haas (92) kijk je uit op het Vondelpark. Hier woont de kunstenaar nog steeds zelfstandig. Zijn eten wordt bezorgd, en de traplift langs de steile trap zorgt ervoor dat hij veilig boven komt. De woonkamer is een grote werkruimte, met schilderijen, beeldhouwwerken en kunstenaarsbenodigdheden. Rechts van de deur naar de woonkamer staat Franks bureau met een bank er tegenover. Verder is zo goed als elke centimeter van de grote ruimte met hoge plafonds in beslag genomen door kunst. Frank groeide op in Nederlands-Indië omdat zijn vader een baan had op de thee- en rubberplantage in Sukabumi. Zijn liefde voor beeldhouwen ontstond toen juf Lies het Hart, van het Hartinstituut, hem zijn eerste stukje klei in handen gaf.

Kostschool
“Mijn ouders woonden op de thee- en rubberonderneming Artana in Soekabumi op West Java, toen ik in 1930 geboren werd. Mijn vader was verantwoordelijk voor de tuinen met rubberbomen. Hij had tropische landbouw gestudeerd en wilde boer worden en begon een boerderij in Kaapstad. Tot mijn oma en opa, die al op de thee- en rubberonderneming woonden, hem overhaalden te verhuizen naar Nederlands-Indië. Mijn moeder was heel gelukkig in die tijd; ze had een hele schare aan personeel in huis. Een ‘kokkie’, twee bedienden een tuinman. Mijn vader was een man van weinig woorden. Hij vond het heel normaal dat je net als Engelse kinderen vanaf je zesde naar kostschool ging. Dus kwamen ik en mijn broer terecht bij de familie Van Weelie. We woonden met meerdere kinderen in een groot Indisch huis, met een veranda met planten en een bamboeschommelstoel. Iedere dag liepen we een kwartier heen en terug naar de Julianaschool. Ik herinner me de inktpotjes, de griffel en de lei met het sponsje nog goed. Ot en Sien droegen een sarung en kabaya en hadden zich zo aan de Indonesische cultuur aangepast. Aan het begin van de schoolvakantie kwam mijn moeder ons halen en gingen we terug naar onze ouders ‘op de berg’. Toen het te druk werd bij de familie Van Weelie hoorde ik van een jongen bij de welpen dat ik en mijn broer zouden verhuizen naar meneer Hart in het Hartinstituut. Wij wisten van niks.”

Vluchten
“Iedere zondag maakten we met meneer Hart een wandeling over de rijstvelden en langs de palmbomen. Prachtig vond ik dat. Op school was ik slecht in dictees, het leukst vond ik handarbeid. Lies, de dochter van meneer Hart liet mij vlechtwerkjes maken met klei. Ik was meteen verkocht. Maar aan die zorgeloze jaren kwam helaas een eind. Toen de dreiging van de Japanners steeds groter werd, is mijn moeder met ons in 1942 gevlucht naar Bandung. Ze dacht toen nog dat het voor vijf weken zou zijn. Dat werd uiteindelijk vijf jaar. In Bandung werden we opgevangen door mevrouw Stoelman, die daar een pension runde. Zij was ziekelijk, en aangezien mijn moeder verpleegster was, werden wij met open armen ontvangen. De ramen werden met papieren plakstrips, waar je aan moest likken, beplakt. Als er een bom viel en de ruiten sprongen door de luchtdruk, dan plakten we de scherven aan de strips vast. Zelf ben ik aan het begin van de oorlog gewond geraakt tijdens een bombardement. Ik verloor mijn linkerhand en raakte aan een oog blind door een scherf. Maar ik herinner me daar niet veel van. Ik weet wel dat ik die stomp voor de Japanners probeerde te verbergen door hem in mijn zak te steken. Ik schaamde me enorm.”



Opgepakt
“Omdat mijn vader nog steeds op de onderneming werkte, had mijn moeder geld nodig om van te leven. Om wat bij te verdienen waste ze patiënten, vaak oudere dames, in het ziekenhuis. Daar kreeg ze ƒ 2,50 per wasbeurt voor. Ze liep in haar verpleegsterstenue met tas, spuit en verbandmiddelen toen ze werd aangehouden door de Japanners. Ze moest haar koffer pakken en met de Japanners mee. Mevrouw Stoelman verzekerde haar dat zij wel op ons zou passen. Ze kwam terecht in het Bloemenkamp, vernoemd naar de gelijknamige wijk waar het kamp stond. Mijn moeder wilde ons graag bij zich hebben, dus zijn wij er ook naartoe gegaan.” 

Kamp
“Niet veel later verhuisden we naar een vrouwenkamp dat er tegenover lag. Daar kregen we de wachtkamer van het voormalige politiebureau als woning. We woonden daar met twee andere families in een kamer. We hadden allemaal een taak: mijn moeder deed de was, ik dweilde de vloer, weer iemand anders kookte. Uiteindelijk werden wij van onze moeder gescheiden. Ik was twaalf toen ik naar kamp Ambarawa werd gestuurd. Mijn broer ging naar een ander kamp. Toen de brieven van het Rode Kruis kwamen, wisten we dat de Japanners zich hadden overgegeven. Ik wilde terug naar Bandung naar mijn moeder, maar over land reizen was te gevaarlijk. Dus moest ik eerst met een boot en daarna met een Dakota naar Bandung. Na de hereniging met mijn broer en moeder zijn we naar Nieuw-Zeeland gegaan om aan te sterken, voordat we naar Nederland terug zouden reizen. We konden een tijd in Wellington blijven, in een kamp van de marine. Dat was een fantastische periode: tussen de mensen, winkels en bioscopen. Mijn moeder was heel teleurgesteld dat mijn vader niet kwam. Ondanks dat het schip twee keer heen en weer voer. Maar mijn vader had toen hele andere interesses. De vrouw van een bevriend stel was weduwe geworden, zij ging achter mijn vader aan en zij kregen een relatie met elkaar. Overigens niet voor lang, maar tussen mijn ouders is het nooit meer goed gekomen.”

Nederland
“Terug in Nederland kwamen we in Heemstede terecht. Ik was inmiddels 16 en moest eerst naar de ‘overgangs-HBS’ om de jaren die ik gemist had in te halen. Ik haalde hele goede cijfers, waardoor ik in aanmerking kwam voor een renteloze lening om te kunnen studeren. Ik koos voor bouwkunde. Kunstenaars leefden in die tijd in krotten met lekkende daken en liepen met stro in hun klompen. Daar schrok ik wel van terug. Na mijn studie kwam ik bij de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam terecht, maar in het weekend was ik druk met het maken van kunstwerken. Bij de Volksuniversiteit leerde ik van de schilder Paul Versteeg modeltekenen. Dan kon je ’s avonds of in het weekend zijn vrouw in een Urks kostuum tekenen. Ik heb ook nog gestudeerd aan de Rietveld Academie, waar ik les kreeg van Carel Kneulman. Hij is bekend van het Lieverdje op het Spui.”

“In die periode had ik ook even een vriendinnetje, Josje. Toen ze zwanger was stelde ze mij voor de keuze: de kunsten of haar. Ik koos voor de kunsten. Zij pleegde abortus, dat was wel heel tragisch natuurlijk. Maar ik kwam haar later nog eens tegen; ze was heel gelukkig getrouwd. Dus dat is wel goed gekomen. Het kunstenaarschap is eigenlijk een fulltimebaan, ook als je met pensioen bent. Het leukste vind ik het maken van een beeld, maar schilderen is natuurlijk veel makkelijker. Een doek, verf en kwasten en je kunt aan de slag. Als ik geen afspraken heb, ga ik lekker aan de slag. Dan pak ik een oud werk, dat zet ik neer en denk dan ‘wat kan ik daar nog aan doen?’ Heel fijn, want er is altijd wat te doen.”

3 gedachten over “Vlechtwerkjes van Javaanse klei

Voeg uw reactie toe

  1. Mooi kort verhaal weer Claske! Ik zie bijna een documentaire voor me van alleen het leven van deze man al! 

    Boek al aan het samenstellen? 

    Een mooi 2023 toegewenst met veel schone Kunsten!

    <

    Liefs Annette.

    Like

  2. Hi Claske,

    Wat heb ik weer genoten van dit mooie verhaal. Dankjewel! Enne….ik wens je een heel goed, inspiratievol en bovenal gezond 2023!

    Groet, Natasja

    Like

  3. Hi Claske,

    Wat bijzonder verhaal lees ik zojuist vanuit mijn mini-sabbatical plaats Benissa-Moraira.

    Fijne dag!

    Hartelijks, Rosalie

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: